In „Der Clercke Cronike” No. 32 (laatste nummer voor de vacantie) stond een artikel, getiteld „Onder de wapenen”.
Het werd zeer terecht als onbillijkheid geduid, dat een kleine categorie zijn toekomstplannen moet offeren om bij het minste gevaar naar de grenzen te gaan, terwijl de anderen rustig thuis konden blijven.
Het ging toen om een conflict ver van Nederland, n.l. de bezetting van Albanië door Italië. Veel is sedert dien veranderd. Datgene waarvoor wij reeds jaren zo bang geweest zijn, de Europeesche oorlog op grote schaal is waarheid geworden.
Nederland ligt nu midden tussen twee elkaar vijandig gezinde nabuurstaten in, zodat het gevaar niet langer denkbeeldig genoemd kan worden.
Maar oorlog of geen oorlog, mobilisatie of geen mobilisatie, één ding is onveranderlijk en eeuwig, en dat is het Recht.
Het is — en blijft onrechtvaardig, dat een kleine groep moet opdraaien voor de „verdediging” van de veel grotere rest. Het moge waar zijn dat de oorlog voor burgers ook geen ideale tijd is; men kan als burger ook door een luchtbombardement gedood of gewond worden, honger lijden of aan een epidemie te gronde gaan, maar het lot der burgers is een hemel in vergelijking tot dat, wat de soldaten moeten doormaken. Een burger behoeft slechts af te wachten, wat er gebeurt; wat hem kan overkomen is niet erger dan een gewoon ongeluk. Maar de soldaat moet actief vechten, d.i. zijn moraal 180° omdraaien, en datgene, wat hij vroeger als misdaad beschouwde, nu als plicht en hoogste doel beschouwen.
Hij moet zien, hoe mensen, die door politieke willekeur tot zijn vijanden bestempeld zijn, door zijn bajonet creperen, hij moet zijn geweten geweld aandoen, en dat is het ergste, wat er bestaat. Ik wil niets zeggen van de dienstplichtigen; die hebben het waarachtig al zwaar genoeg, want als zij weigeren, gaan zij voor 3½ jaar de gevangenis in. Als non-combattant heb ik niet het recht om te oordelen over degenen die voor moeilijkheden staan, die mij bespaard blijven, omdat het toeval mij bij mijn ontstaan 48 in plaats van 47 chromosomen schonk. Maar de non-combattanten, die van de militairen eisen, dat zij voor hen zullen opdraaien, die zou ik weleens willen aanraden, om over de realiteit van hun eis eens wat dieper na te denken. Wanneer men hoort van Heidenen, die hun kinderen verbrand hebben om een afgod tevreden te stellen, zegt men schijnheilig „Wat een barbaren”, maar is dit niet precies hetzelfde? Vaak gebeurt het, dat soldaten leven en geweten moeten opofferen, zogenaamd om de vrijheid van hun volk te verdedigen, maar wanneer de nood wat dieper het achterland indringt, dan heeft datzelfde volk maling aan die vrijheid, en roept „Hoera!” voor de vijand, wanneer die met levensmiddelen de stad binnentrekt!
Ik weet, dat velen beledigd zullen zijn, wanneer ik dit zeg, en zullen roepen „Wij doen zo iets niet!” Goed, indien gij werkelijk mensen zijt met eergevoel, en in staat den tyran te weerstaan, waartoe moet gij dan nog anderen voor u laten vechten?
Wie den tyran niet gehoorzaamt, kan niet getyranniseerd worden, hoogstens kan de tyran hem met mechanisch geweld uit de weg ruimen, maar dit kan niet gebeuren, wanneer de meerderheid van het volk ongehoorzaam is, want terreur is niet het doel van den vijand; het is slechts een middel om het eigenlijke doel: de overheersing, te bereiken. Wanneer de verdedigende partij zorgt, dat dit middel ondoelmatig blijkt, zal het niet meer toegepast worden, want kogels en concentratiekampen zijn te duur om voor liefhebberij verspild te worden.
Ik heb de vrijheid lief, meer dan menig patriot, maar aan vechten heb ik een hekel, omdat oorlog niet tegen tyrannen persoonlijk gevoerd wordt, maar tegen hun slachtoffers, dienstplichtige soldaten. Een streng iemand kan zeggen „Dan moeten die soldaten maar niet zo stom zijn om zich door den tyran als instrument te laten gebruiken, maar moet domheid of vrees voor straf met de marteldood gestraft worden? Men spreekt over het afschaffen van dum-dum kogels en gifgassen, maar is het soms niet even erg om dagen op het slagveld te liggen en tenslotte aan dorst of aan koud vuur te sterven? Men weet van tevoren dat het onmogelijk is om alle vermisten bijtijds op te sporen en alle doden bijtijds te begraven; men weet van tevoren dat een afgeschoten been of een verloren oog niet meer regenereert. Men weet ook van tevoren dat het sadisme van sommige psychopathen, dat in de oorlog niet langer door de politie onderdrukt kan worden dan volledig uit de band zal springen. Men leest in de courant van gewonden, die mishandeld zijn, van vrouwen, die onteerd zijn . . . . Genoeg over al die ijselijkheden.
Geen tyran zal mij kunnen dwingen, hem te gehoorzamen maar evenmin om moreel zelfmoord te plegen door tegen hem of zijn slaven strijdmethoden te gebruiken, die ik verafschuw.
Ik weet, dat er domme of misdadige vrouwen zijn, die hun mannen witte veren sturen, wanneer deze niet in de oorlog willen gaan, maar degene, die altijd vóórgepreekt krijgen, dat zij ons, non combattanten moeten verdedigen, zullen ook weten, dat er zeer vele non-combattanten zijn, die dat niet van hun eisen, en die zichzelf kunnen verdedigen — door lijdelijk verzet. Ongetwijfeld zal lijdelijk verzet slachtoffers eisen, maar de oorlog eist er nog veel meer! Met pacifistische verdedigig blijft het vaderland ten minste gespaard. Ons Vaderland, dat is de grond met zijn natuurschoon, gebouwen, kunstschatten, en alles wat er verder op staat, — niet de fictieve individualiteit van dat, wat men gewoonlijk, een „staat” pleegt te noemen. In een strijd met de wapenen wint de militair sterkere; in een pacifistische verdediging is de overwinning aan degene met de grootste wilskracht. Soldaten, ik hoop, dat gij mij geen sentimentele zwakkeling zult vinden; het pacifisme komt niet alleen voort uit „geen bloed kunnen zien”, maar veel meer uit overwegingen van recht- en eergevoel en liefde voor het natuurschoon.
Wanneer ik hoor, dat van anderen geeist wordt, dat zij lichaam en ziel stuk gooien voor mijn gerief en veiligheid, dan schaam ik mij erger dan een patriot, die een wit veertje ontvangt!
Het feit, dat de oorlog uitgebroken is mag ons geen defaitisten van de vrede maken. Voor de neutrale staten geldt nu nog, „Zolang er vrede is, is er hoop” en voor de oorlogvoerende landen: „Zolang de oorlog er is; kan hij ook beëindigd worden: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald”.
Over de schuldvraag wil ik hier niet spreken. Ik ben neutraal, niet omdat ik het verschil niet ken tussen aanval en verdediging, maar omdat ik weiger, staatkundige grenzen te trekken in de ethiek, waardoor individuen door het toeval hunner geboorte schuldig of onschuldig verklaard zouden worden. Een staat is een administratieve, maar geen ethische eenheid!
Ik hoop daarom niet op een overwinning van één der partijen, die natuurlijk tot uitbuiting en revanche zal leiden, maar ik hoop, dat deze oorlog daardoor te beëindigen zal worden dat de soldaten van beide partijen er genoeg van krijgen en de wapens neergooien.
Het idealisme is nog niet helemaal morsdood. In het Engelsche parlement heeft onlangs iemand verklaard, dat hij niet geloofde, dat de oorlog welk probleem dan ook kon oplossen; een Slowaaks regiment heeft dienst geweigerd — zo zijn er nog talloze andere lichtpunten in deze duistere nacht.
M. T. M. KERKHOVEN.